Energieplantages kunnen worden gezien worden als een vorm van landbouw, net als de voormalige hakhoutcultures. Maar het is dan wel een landbouwgewas met een zeer interessante biodiversiteit. In dit project werd de mogelijke bijdrage van energieplantages aan het behoud en bevorderen van biodiversiteit onderzocht.

Achtergrond

Het duurzame energiebeleid vraagt een enorme hoeveelheid biomassa. De vraag naar biomassa voor de opwekking van duurzame energie zal wereldwijd sterk toenemen in de komende decennia. Als de prognoses uitkomen moeten alle zeilen bijgezet worden om dit te kunnen produceren en oogsten. Er worden grote vraagtekens gezet bij de duurzaamheid en de effecten op de biodiversiteit. In Nederland zijn wilgenbeplantingen op de juiste gronden, in de vorm van moderne grienden, zeer efficiënte biomassaproducenten en de kans is dan ook zeker aanwezig dat deze binnen afzienbare tijd op grote schaal aangelegd gaan worden. Deze plantages worden om de 2-4 jaar geoogst, waarbij de stobben weer opnieuw uitlopen. Uiteraard staat biomassaproductie centraal bij dergelijke energieplantages, maar de indruk bestaat dat er ook veel planten en dieren voorkomen. De oude grienden zijn ook bijzonder rijk aan planten en dieren. Om te toetsen hoeveel en welke planten en dieren voorkomen, is er een biodiversiteitsprogramma opgestart van drie jaar, waarbij meerdere soortgroepen worden gemonitord door soortenexperts van de VOFF (Vereniging Onderzoek Flora en Fauna).

Doel / doelgroepen

De mogelijke bijdrage van energieplantages aan het behoud en bevorderen van biodiversiteit onderzoeken.
Energieplantages moeten in eerste instantie worden gezien worden als een vorm van landbouw, net als de voormalige hakhoutcultures, en niet als natuur. Maar het is dan wel een landbouwgewas met een zeer interessante biodiversiteit. De doelgroep bestaat uit mensen die nu of in de toekomst energieplantages gaan aanleggen of beheren.

Activiteiten

Wilgen op grienden hebben een stamtal van ongeveer 6.000 stuks per hectare en worden om de twee tot vier jaar geoogst met gespecialiseerde oogstmachines. Probos heeft samen met Staatsbosbeheer 60 hectare van dergelijke beplantingen aangelegd langs de A6 tussen Lelystad en Almere als een soort buffer rondom de Oostvaarderplassen. Er worden geen chemische onkruidbestrijdingsmiddelen en meststoffen toegepast.

In 2006 is hier een monitoringsproject gestart gericht op de biodiversiteit om een beeld te krijgen van de huidige waarden voor flora en fauna, de veranderingen daarin en het identificeren van mogelijke inrichtings- en beheermaatregelen om de biodiversiteit te vergroten. Drie jaar lang is door soortenexperts gemonitord op voorkomende soorten.

Resultaten

De soortenkenners waren positief verrast over de biodiversiteit van de energieplantages. Er bevinden zich veel meer soorten dan zij hadden verwacht. Bovendien wordt voor de meeste soortgroepen verwacht dat het aantal soorten in de toekomst bij gelijkblijvend beheer alleen maar zal toenemen en uiteindelijk in de buurt zal komen van de soortenrijkdom van oude grienden. Soorten moeten immers de tijd krijgen om zich te vestigen. Dit vermoeden wordt bevestigd door het feit dat de energiebeplantingen in de buurt van oudere bossen veel meer kenmerkende soorten huisvesten. Conform de verwachting zijn veel van de gevonden soorten kenmerkend voor ruigte, jong bos, ontwikkeld grasland en dergelijke jonge vegetaties. Deze soorten kunnen zich vestigen en handhaven dankzij het intensieve kapsysteem, zoals we dat ook kennen van oude hakhoutbossen. Het is verrassend dat zich in deze recent aangelegde beplantingen op jonge gronden een aantal voor Nederland bedreigde soorten gevestigd hebben.
In totaal zijn 101 plantensoorten gevonden waarvan één met een beschermde status, de brede wespenorchis. Van de 96 soorten paddenstoelen staan er zeven op de Rode Lijst, te weten bepoederd breeksteeltje, grijs breeksteeltje, oranje inktzwam, spitsgele donsinktzwam, spitse spleetvezelkop, conische wolfranjehoed en de anijskurkzwam. De meeste gevonden paddenstoelen zijn bewoners van dood hout en groeien op delen van de afgezette stobben en losliggende takken.
De 22 waargenomen broedvogelsoorten zijn over het algemeen kenmerkend voor jong bos, struweel, ruigte velden, riet en opslag. Dit is goed te zien aan de aantallen fitis, spotvogel, zwartkop, tuinfluiter, bosrietzangers, kleine karekiet en grasmus. Deze soorten kunnen zich vestigen en handhaven dankzij het intensieve kapsysteem, zoals we dat ook kennen van oude hakhoutbossen. De vier Rode Lijstsoorten zijn nachtegaal, matkop, spotvogel en kneu. De wilgenplantages worden met zes soorten, waaronder bosspitsmuis, als redelijk rijk aan muizen getypeerd. Er is een duidelijke relatie tussen de kruidenrijkdom en de muizenrijkdom van de beplantingen. Verder zijn er vier soorten amfibieën en dertien soorten dagvlinders waargenomen. De gevonden vlindersoorten zijn veelal biotoopvage soorten, maar ook soorten die kenmerkend zijn voor ontwikkelde graslandvegetaties, zoals bruin zandoogje, landkaartje en kleine vuurvlinder en bos- en struweelranden, zoals bont zandoogje en boomblauwtje.

Soortgelijke projecten

De Energieplantage. Een nieuwe toekomst voor de veenweidegebieden in Nederland
Houtwallen en houtsnippers voor warme zorginstellingen
Turven van rietplaggen

Main topics covered

  • Identification, Monitoring, Indicators And Assessments
  • Agricultural Practices Potentially Supporting Biodiversity
  • Climate Change
  • Financing Biodiversity Management